Sluit je ogen en raak met je wijsvinger het puntje van je neus aan. Waarschijnlijk lukt dat gewoon. Maar hoe wist je waar je neus was? En waar je vinger?
Daar heb je een zintuig voor waar bijna niemand het over heeft. Het heet proprioceptie, en het is het gevoel voor waar je lichaam is en wat het doet, zonder dat je hoeft te kijken.
In je spieren, pezen, gewrichtsbanden en bindweefsel zitten kleine sensoren. Die geven onafgebroken door hoe ver een spier is opgerekt, hoeveel spanning er staat en in welke hoek een gewricht staat. Je hersenen maken daar een kaart van: waar ben ik, in welke houding, met hoeveel kracht. Die kaart wordt honderden keren per seconde bijgewerkt, en je merkt er niets van. Tot hij niet klopt.
Je gebruikt hem de hele dag. Een trap aflopen zonder naar je voeten te kijken. Een kopje pakken terwijl je met iemand praat. In het donker de lichtknop vinden.
Voelen in plaats van kijken
Yoga wordt vaak visueel geleerd. Je kijkt naar de docent, of naar jezelf in de spiegel, en probeert dat na te doen. Dat werkt, maar je leert er ongemerkt ook iets anders mee: je gaat je houding beoordelen op hoe hij eruitziet in plaats van op hoe hij voelt.
Daarom stel ik in mijn lessen vaak andere vragen. Wat voel je in je rechtervoet als je staat? Is links eigenlijk hetzelfde als rechts? Wat gebeurt er met je adem als je een klein stukje verder gaat? Dat zijn geen vage vragen. Het zijn precies de vragen waar je proprioceptie het antwoord op heeft, en waar je hem sterker mee maakt.
Een houding is daarbij nooit het doel. Hij is het gereedschap.
Inzoomen en uitzoomen
In de Yin-les van deze week werkte ik daar op een andere manier mee. Yin-houdingen duren lang, en die tijd geeft je de ruimte om met je aandacht te bewegen in plaats van met je lichaam.
Denk aan het verschil tussen een spot en een schijnwerper. Met een spot licht je een klein gebied uit: de binnenkant van je linkerheup, de plek waar je adem als eerste aankomt, de spanning net onder je schouderblad. Alles daaromheen valt even weg. Met een schijnwerper doe je het omgekeerde: je maakt de bundel zo breed dat je je hele lichaam tegelijk in beeld hebt, zonder ergens te blijven hangen.
In de les zoomen we langzaam in en daarna weer langzaam uit. Niet springen, maar aan de knop draaien. Dat langzame is het werk, want juist onderweg merk je dingen op die je bij een grote sprong overslaat.
Die twee bewegingen hebben in de yoga ook een naam. Je aandacht op een punt houden en daar blijven heet dhāraṇā. Daaraan vooraf gaat pratyāhāra: je aandacht loskoppelen van alles wat er van buiten binnenkomt, zodat er iets te richten valt.
Ik noem die woorden niet om het plechtig te maken. Ik noem ze omdat dit geen nieuwe truc is. Er wordt al eeuwen geoefend op precies deze vraag: waar leg ik mijn aandacht, en hoe lang houd ik hem daar? Wat er sinds kort bij is gekomen, is dat we een naam hebben voor wat er ondertussen in je lichaam gebeurt, en waarom het scherper wordt als je het vaker doet.
Balans, blessures en ouder worden
Balans is grotendeels proprioceptie. Sta je op een been en begin je te wiebelen, dan is er niets mis met je spieren. Je kaart is even onduidelijk, en je lichaam is bezig met bijsturen.
Dat merk je ook na een blessure. Wie ooit een enkel heeft verzwikt, beschadigt niet alleen banden maar ook de sensoren die erin zitten. De kans om dezelfde enkel opnieuw te verzwikken is daarna groter, en juist balansoefeningen helpen daarbij. Het is een van de best onderzochte onderdelen van revalidatie.
En het verandert met de jaren. Vanaf een jaar of veertig gaat het langzaam achteruit, niet dramatisch maar wel merkbaar. Bij valpreventie voor ouderen draait bijna alles om dit systeem. Wie het blijft gebruiken, houdt het langer.
Het goede nieuws
Je kunt het trainen. Anders dan je gehoor of je gezichtsvermogen wordt dit systeem juist beter van gebruik. Elke keer dat je wankelt en corrigeert, is een herhaling. Wiebelen is dus niet het bewijs dat je het niet kunt. Wiebelen is de oefening.
Dat zie ik in mijn lessen ook gebeuren. Wie net begint met yoga heeft dit vaak nog nauwelijks ontwikkeld. Houdingen voelen onwennig, en links en rechts weten nog niet zo goed van elkaar wat ze doen. Maar al na een paar weken zie ik het veranderen. Iemand stuurt zichzelf bij voordat ik iets heb gezegd, of merkt zelf op dat de ene kant anders aanvoelt dan de andere. Dat vind ik het mooiste om te zien: niet alleen het plaatje van de houding wordt van buitenaf beter, er komt van binnen ook iets bij.
Probeer dit eens
Zet een stoel of een muur binnen handbereik.
Ga op een been staan. Voel wat er onder je voet gebeurt: hoe je gewicht steeds een beetje verschuift, hoe je tenen meedoen. Blijf zo een halve minuut staan.
Doe daarna je ogen dicht en probeer het opnieuw.
Waarschijnlijk merk je meteen een groot verschil. Dat komt doordat je balans op drie systemen leunt: je ogen, je evenwichtsorgaan en je proprioceptie. Haal je het zicht weg, dan moet je gevoel het werk doen. Precies dat gevoel is wat we in de les aanspreken.
Merk je dat het na een paar keer al wat rustiger wordt? Dan heb je jezelf net zien leren.
Bekijk de actuele mogelijkheden via het lesoverzicht.